OVER HERFST, EEN MELKBRIGADIER EN SCHUDDEKONTJE (ARCHIEF)

Het is herfst dus paddenstoelentijd. Op de lagere school gingen we dan wandelen met de juf in het bos en maakten we herfststukjes van wat we in het bos verzameld hadden. Die bleven enkele weken in de klas staan waardoor de paddenstoelen walgelijk gingen stinken. Ik ga nog over mijn nek als ik daaraan denk.

Walgelijk was ook de schoolmelk die we in de zomer kregen op hete dagen. De melk bovenin de fles was door de hitte een zure dikke laag room geworden. Deze bocht moesten we opdrinken d.w.z, je stak er met moeite een rietje doorheen en dronk op wat er nog aan melk onder zat. Evengoed ben ik later toch melkbrigadier geworden. Een campagne van de zuivelindustrie nog vér voor ”de witte motor.” Bij elk glas melk moest je een stempel op een kaart zetten waarna je na een aantal kaarten een embleem kreeg die moeder op de mouw moest naaien.

mouwinsigne_melkbrigadier

Ik leek toen een beetje op een militair wat ik wel stoer vond, waarschijnlijk was dit ook de reden waarom ik het deed. Echter, toen ik echt in dienst moest vond ik het maar niks, ik heb het dan ook nooit verder geschopt dan soldaat der eerste klasse terwijl ik toch korporaal had kunnen worden als ik maar fanatieker met schietoefeningen was geweest en had lopen slijmen met de luitenant. Deze luitenant kroop tijdens oefeningen in het veld soms bij zijn minderen in de tent waar hij ook weer uitgeschopt werd omdat die er niet van gediend waren.

Harry had dat meegemaakt en was te zeer hetero om zich ook maar een begin van de avances te laten welgevallen. De luitenant wiens bijnaam Schuddekontje was maakte het op een keer al te bont door tijdens een oefening bij Harry in de tent te kruipen. Deze schopte hem er onmiddellijk weer uit maar de luitenant onthield zijn weigering. Terug van oefening bij de eerste kledinginspectie nam hij Harry te pakken. Schuddekontje trad de zaal binnen terwijl een gemeen lachje om zijn mond speelde. Harry’s kast was altijd netjes. Er stak geen enkel flubbertje of randje uit de stapel overhemden die opgevouwen bovenin zijn kast lagen maar deze keer had hij zijn kast extra goed nagelopen omdat hij vermoedde dat de luitenant hem wel terug zou pakken, in figuurlijke zin dan.

En dat deed hij

De luitenant liep als eerste naar Harry, bekeek zijn kast en trok alles eruit. ”Niet netjes genoeg, opnieuw opvouwen,” beval hij. Harry haalde zijn schouders op en deed net of het hem niet deerde. Opnieuw vouwde hij alles netjes op want die lol gunde hij Schuddekontje niet. De kasten van de andere soldaten werden goedgekeurd en bij Jaap aangekomen gaf hij een knipoog. Jaap knipoogde terug. Wij hadden al het vermoeden dat Jaap niet van de vrouwtjes was maar nu wisten we het zeker.

Maar goed, ik dwaal af. Het is herfst dus paddenstoelentijd. De mooiste vind ik de rode met witte stippen. Laatst in een droom zag ik er een staan. Er zat een heen en weer wippende kabouter op die met walging een glas melk dronk. Schuddekontje keek er sadistisch naar en vroeg: ”Hoeveel glazen nog?” ”Nog acht,” kokhalste Spillebeen.

Je moet er wat voor over hebben om melkbrigadier te worden.

Advertenties

OOM JO

Over nostalgie gesproken. Er was een tijd dat ik opa’s en oma’s en ooms en tantes had. Die tijd is al weer lang voorbij. Nu ben ik zelf oom en oud-oom. Dit verhaal gaat over een oom en tante uit mijn jeugd.

Oom Jo was een kleine onbeduidende kantoorklerk in een grijs pak dat slobberig om hem heen hing. Hij was getrouwd met Stien, een hoogblonde struise vrouw die een halve kop groter was dan hij.

Iedereen kent wel een oom Jo en tante Stien in de familie, op verjaardagen voert zij altijd het hoogste woord en houdt ellenlange monologen terwijl hij er verloren bij zit. Je hebt altijd het gevoel dat hij méé is zoals sommige mensen hun hond meenemen omdat je dat beest nu eenmaal niet alleen thuis kunt laten.
Stien nam trouwens na de dood van Jo een teckel, maar als ze het beest een opdracht gaf bijvoorbeeld: ”Zit”, blafte hij terug en daar was Stien niet van gediend dus schopte ze het beest op een koude winteravond de straat op.

Stien had op verjaardagen dus altijd het hoogste woord en oom Jo zat er maar zo’n beetje bij. Als zij aan het woord was viel niemand haar in de rede, simpelweg omdat dat onmogelijk was maar ook omdat iedereen haar vreesde. Als je het bij haar verbruid had was er grote kans dat je op een volgende verjaardag waarbij je niet aanwezig kon zijn genadeloos over de tong ging. Dat gebeurde eens tante Greet die middenin een monoloog van Stien tegen haar zei: ”Mag ik nou óók eens iets zeggen” waarna Stien als door een adder gebeten (een reptiel waar zij overeenkomsten mee had) uitriep: ”Je lijkt Jo wel, die wil me ook altijd in de rede vallen.” ”Die krijgt óók geen kans bij jou,”sneerde Greet terug en het kwaad was geschied. Iedereen keek naar Jo waarvan men hoopte dat hij nu eindelijk eens iets zou zeggen maar het leek of hij nog kleiner werd. Zo zelfs dat het leek of de stoel hem absorbeerde.

De eerstvolgende verjaardag waarbij Greet niet aanwezig kon zijn gebeurde het. Stien begon weer één van haar monologen waarbij het al snel ging over de vaginale verkoudheid van Greet en over diens onregelmatige ongesteldheden. Onderwerpen die Greet aan Stien in een vertrouwelijke bui had verteld. De visite luisterde ietwat gegeneerd maar genoot ook stiekem van de informatie, want de mens is een leergierig wezen vooral over intieme zaken wat anderen betreft.

Oom Jo lijkt een doetje en dat is hij ook maar op zijn eigen verjaardag één dag voor zijn dood gebeurde het. ”Het is ook mijn feestje” moet hij gedacht hebben, of hij voorvoelde zijn dood en vond dat hij nu eindelijk eens een daad moest stellen. Toen Stien weer verwikkeld was in één van haar monologen ging er bij hem een knop om. Hij schoof naar het puntje van zijn stoel, kuchte even en zei:”Ik ken een mop.” Abrupt staakte Stien haar monoloog en zond een blik naar Jo die een mengeling was van minachting en verbazing. De kamer viel stil want iedereen vond het van grote moed getuigen dat Jo haar an publiek in de rede te viel. Zij gingen straks weer naar huis maar hij moest verder met Stien, wat voor iedereen  een onmogelijke opgave leek.

Doodstil was het nu in de kamer en alle blikken waren op Jo gericht. Hij schraapte gewichtig zijn keel en zei langzaam met licht trillende stem: ”Wat is het verschil tussen een domme blonde vrouw en een frikandel?” Iedereen keek in gespannen verwachting naar Jo want de inleiding beloofde niet veel goeds en de clou zou het alleen nog maar erger maken voorvoelde iedereen. Hij nam langzaam een hap adem en zei met een stem die trilde van ingehouden emotie: ”Een frikandel heeft tenminste nog hersens.”

Zo, dat was er uit, de aanwezigen vielen minutenlang stil want men was geschrokken van de plotselinge eruptie van Jo en van het feit dat hij een mopje kon tappen. Stien keek verdwaast voor zich uit want ze had voor het eerst een andere kant van haar man leren kennen. Het enige dat ze nu nog kon doen was de visite vragen of ze nog iets wilden drinken. De verjaardag verliep verder vreemd en in een wat verdwaasde sfeer en Stien waagde zich niet meer aan een monoloog. Af en toe plaatste iemand een opmerking over niets dat in het niets belandde. Oom Jo had de avond maar ook het huwelijk ontregeld en iedereen ging vroeger naar huis dan gewoonlijk.

De begrafenis van Oom Jo was een paar dagen later. Even de held spelen is leuk maar kan levensgevaarlijke gevolgen hebben.