SINTERKLAAS (ARCHIEF)

Het is druk in het huis van mijn nicht te Almere waar ik om twee uur binnenval. De kinderen zijn opgewonden om wat er straks allemaal te gebeuren staat en huppelen vrolijk in de rondte, zo nu en dan aandacht vragend aan een volwassene. Ik vlei mij neer in het midden van de driezits tussen twee mij onbekende dames. De een luistert naar de naam Loes, een slanke vrouw van rond de veertig. De ander heet Thea, een rondborstige vrouw van middelbare leeftijd. Ik zit er warmpjes bij concludeer ik tevreden.

Mijn nicht vraagt of ik koffie wil.

Loes is wat stilletjes, de rest van de visite gedraagt zich zoals volwassenen zich op dit kinderfeest gedragen. Gespeelde spanning tegenover de kinderen van wat er straks allemaal te gebeuren staat. Maar Thea is zeer luidruchtig en blijkt haar kindertijd niet te zijn ontgroeid. Op elke opmerking die een kind tegen een ander kind of volwassenen maakt reageert ze met overdreven gelach dat zo onecht is dat ik de neiging heb om in haar oorlel te bijten.

‘Als Sinterklaas ons huisje maar niet voorbij rijdt,” zegt Myrthe tegen Jeroen, haar jongere broertje die naast haar op de grond zit. ”Hahahaha, horen jullie dat, Myrthe denkt dat Sinterklaas dit huisje voorbij rijdt. Als jullie lief zijn geweest zal dit niet gebeuren hoor Myrthe, hahahahah!”

Dan wordt er luid op de deur gebonsd.

”Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht want we zitten allemaal even recht…”Iedereen zingt uit volle borst mee terwijl de Sint binnen schrijdt met in zijn kielzog twee Pieten van het vrouwelijk geslacht. Thea gaat er bij staan en gaat volledig los. Ze klapt haar handen stuk op de maat van het lied, haar borsten driftig meedeinend in galop. Ik kijk, naast haar gezeten schuin omhoog en verbaas me over haar doldrieste enthousiasme dat zijn weerga niet kent. Ze toetert zo hard dat ze iedereen overstemd, zelfs de schelle kinderstemmetjes overschreeuwt ze. ”Zie je wel Myrthe dat de lieve Sint dit huisje niet voorbij rijdt, jullie zijn lief geweest, erg lief,” roept ze om vooral in de smaak te vallen bij de Sint, bang dat ze is om straks afgevoerd te worden naar Spanje.

Het gezang verstomd en Thea neemt met rode konen weer plaats. Sint krijgt een versierde zetel aangeboden en zet zijn Heilige achterwerk neer op de stoel waarin zich een rood kussen bevindt. Van één van de Pieten krijg ik een hand pepernoten in mijn handen gedrukt.

”Zo, dus jullie zijn erg lief geweest,” zegt de Sint met gedragen stem.

”Ik kan al tot tien tellen!”, roept Myrthe enthousiast.

”Laat maar eens horen dan,” vraagt de Sint.

”Jaah, ze kan al tot tien tellen Sint, hoe vind u dat?, herhaalt Thea, ”laat maar eens horen aan de Sint.”

”Een, twee, drie, vier..” roept Myrthe luid, en ze klapt mee op iedere tel. Thea is weer opgestaan en klapt luid mee. Voor iedereen in de kamer is dit nu ondragelijk en Thea krijgt blikken toegezonden die dodelijk zijn. 

Aan alles komt een eind, zo ook aan dit feest.

Iedereen zingt uit volle borst het afscheidslied. ”Dag Sinterklaasje, daaag , daag, daag, daag, zwarte Piet.” Thea klapt weer in extase mee, haar kinderjaren uitbundig herbelevend. We zwaaien met zijn allen de Sint uit, die, nadat hij de vijfenveertig euro in ontvangst heeft genomen tevreden vertrekt. Hij moet ze delen met zijn twee Pieten.

WINTERTIJD

Mijn klokken heb ik vanmorgen op wintertijd gezet. Eigenlijk is ”wintertijd” een verkeerde uitdrukking. De ”juiste tijd” had een betere uitdrukking geweest.

Ik heb een kennisje die de grootste moeite heeft met de zomer en wintertijd. Ze vroeg me jaren geleden toen de zomertijd voor het eerst inging of ze de klok nu vooruit of terug moest zetten. Ik legde dat uit, waarna ze me uitvoerig bedankte alsof ik een ingewikkeld raadsel had opgelost. Gisteren belde ze opnieuw en zei monter: ”Ik ben blij dat ik het snap. De Tibetaanse buurman die maandag op sollicitatiegesprek moet en vroeg hoe het nu toch zit met die zomer en wintertijden heb ik verteld dat ie de klok een uur vooruit moet zetten.”

”Dan is ie niet op de afgesproken tijd voor zijn sollicitatie,” zei ik.

”Is ie dan te vroeg of juist te laat,” wilde ze weten.

Kennisje heeft het nog steeds niet door hoewel het verder een bijdehante tante is. Maar opgeven doe ik niet, ik heb aangeboden het nog één keer goed uit te leggen dmv een oude kapotte wekker als voorbeeld. Ik draai dan net zolang aan de wijzers tot ze het snapt. 

Van mij hoeft die zomertijd niet, al is het alleen al omdat het binnenwerk van mijn antieke klok speling heeft en kraakt als ik de wijzers verzet. Het is een erfstuk van mijn grootouders. Als hij zijn uren slaat kan ik de vermoeidheid bij iedere slag horen. Soms raakt het hamertje de klankspiraal amper wat een vreemd dof geluid oplevert. Een gevoel van medelijden overvalt me dan omdat ik voel dat ie met pensioen wil maar dóór moet omdat ik hem steeds maar op blijf winden. Ik kan hem ook stilzetten maar een klok hoort te lopen, vind ik.

De zomertijd zie ik dus graag afgeschaft, beter voor mij en de klok. En kennisje heeft dan ook eindelijk duidelijkheid.